ZONDER VLEUGELS

POEZIE | PROZA | MUZIEK | NATUUR | IN DE VLUCHT

Verzameld

Een bloemlezing van gedichten die in de voorbije 30 jaar werden geschreven.

Partizaan

ik heb een land aanschouwd 

eerst en eeuwen geleden

toen verzet nog mijn ambacht was

aan de grens werd ik ontboden

in een regiment geloot

door de wachtster van vier windstreken


zij en de prins van lauw verlangen

behoorden aan elkaar bij conventie

voor haar lichaam kreeg ze zijn land

hij hield de zee, de wind en de zeilen

en in een hand geschreven voetnoot

ieder een vrijstaat voor de geest


de vervoeging van het verdrag

in de tegenwoordigheid van tijd

werd helaas verdroeg, zonder meer

namen zij elkaar nog de maat

in een wekelijks klein beschrijf

ter vrijwaring van de huisvrede


tot op een dag, toen dook ze onder

in de onherbergzame gedachten

waarin ook ik me verschool

voor repetitief tekort schieten,

me ondertussen volmakend

in het vergeten van gemiste doelen


ik werd ingelijfd en, arme dwaas,

waste voor hoop op zege

de oude glorie uit haar poriën

waarna zij mij gevangen hield

in een geheim en verslavend liaison

van dadeloos minnen


er waren ijswinters 

waarin ze me ver leidde

met dwingende ogen als ruwe kolen

warme dagen waarop ik lonkte

naar het ongenaakbare hart

van in kant getooide glooiingen


we trokken samen op

bestormden de vertwijfeling

en toen de roekeloosheid

eindelijk groter was geworden

dan de angst voor verlies

onteigenden we elkaar cel per cel


aan elke horizon die we kruisten

ontbrak er een toekomst,

dromen werden verbeurd verklaard

maar we wisten allebei

dat pas na volle overgave

deze strijd kon worden gestaakt

Ochtend

Ontwaken in dit bed waaruit jij de warmte mee nam

tussen de lakens sluipt kil de dag, vult mijn poriën

met verse eenzaamheid. Het huis is leeg, zelfs

de vreemden zijn alsnog vertrokken. Rest mij,

en de man in de spiegel ken ik niet. De wind waait,

het viel te verwachten, uit het wintergat. 

Aan de horizon rafelen bomen dood hout.

Beneden aan de trap ligt overjaars een dagdroom te zieltogen. 

Ontbijttafel en aanrecht zijn als mijn humeur, 

ze vertonen geen tekenen van opgeruimdheid.


Ik bedenk dat zowel de kortste als de langste schaduw

zon vereisen. Buiten waart de wereld, 

de hemel kleurt scharlakenrood. 

Er is alweer vreugde in de maak.

Dat

er wordt gezegd dat wonden helen dat

scherpte dan niet meer die van scherven is 

eerder als likzoute en van de zee verloren tafelmessen

die willoos in voetzolen snijden en opgelucht kraken dat 


herinneringen verschonen de geur van gedepte perzikolie

de onaanraakbaarheid van haar natte huid achteloos bedekt

een na het duiken onbezonde borst de onschuld van de jeugd

de smaak van kersen de volheid van onverzoenbare lippen dat


verlangens verderlichte wensen zijn die komen aangewaaid 

op bepaalde winden en slechts klitten aan hersenspinsel

van vatbare dwazen en rusteloze dromers dat

wordt gezegd

Vlinders

Er was verlangen als elmsvuur 

gulpend over hersenschors. Woorden

knipten uit wachtrijen. Zinnen werden zoenen 

met een zweem van vanille op je lippen

brandend als cassia.


We proefden ambrozijn, veegden met handpalmen

geronnen hoop uit onze mondhoeken. Een bries

dreef vlagen bitterzoet over de melkmaan, 

nam de franchise van je ziel. 


In een cocon van wilde zijde wachtten wij

op de zon die van jij en ik

ons zou maken.

Behouden begeerte

we voeren op 'de behouden begeerte',

zij wier bekken hevig welde van

wie onder in haar achtersteven was ontvangen

en die nu mij op mijn beurt de terugkeer

naar veiliger oevers ontzei


terwijl ik verdronk wendde ze haar gezicht

wierp reeds haar onverzadigbare blik

op de rede, liet mijn melkwit verlangen

smoren op het vochtige deken 

Moordkuil

Gooi de moordkuil dicht,

doe het nu

de uren zijn gerijpt

in gouden licht.


Sleep breuksteen aan

uit een andere aarde

zeg me niet van waar,

er waaien reeds genoeg

geheimen met de wind.

Voorbij

aan het land betaal ik blind

stempelpacht voor nog één nacht

gaar nonsens in wartalige woorden

tussen ijver en oever


vaart een boot voorbij

gepokt en vergald een blad 

dat op geen herfst heeft gewacht


drijven is blijven

maar aan de lange dagen

van valse lichtekooiigheid

kwam voorgoed een eind

Vederlicht

tussen toen ik werd geboren

en nu

ben ik - zo denk ik toch -


een keer of drie verveld

van een kind in een man

in een vader gekropen


aan de kapstok hangen

de oude huiden

als ondraaglijken

met de tijd verloren

September

op een morgen zijn ze daar, de langpootmuggen

wanneer in dauw het gras huilt om zomer

wij ons vlinders op te dunne vleugels verbeelden


de maïs reeds naar een dorser hongert

op het veld van gerooide woorden

waar de stilte wortelt, de moeskopper 


de leegte raapt.

De toegankelijkheid van poëzie

Toen ik laatst in een bibliotheek

met Charles Ducal had afgesproken

ontblootte hij tussen omslagblad en kaft 

zijn vorige afspraak: 

Ekaterina Vadimovna Smirnova,

de vermaledijde tsarin die ik met hem

zou delen. Weldra liep ik verdwaasd

door de taïga van Jakoetsk, verloor me 

in haar weldaad op de oevers van de Lena. 

Als een melkdronken lam 

gaf ik me te pletter 

aan haar. 


Na de aankondiging van de sluitingstijd

begaf ik me naar de balie van uit te lenen gedachten.

Ik gaf mijn paspoort aan een dame. Ze 

sprak in keurige taal, spande een glimlach 

tussen het halfrond van haar mond. "Ekatarina",

stamelde ik. Ze keek me aan en zei: "Laat me

je dromen vangen". Pas toen zag ik de ring 

om haar vinger en wist: zo vergaat het

de toegankelijkheid van poëzie.

Vergeten held (voor Gustaaf)

I.

Hoe rustig nu dit bloed dat in zich draagt 

de felheid van een knaap die zestien in veertien

voor straat en stad ten strijde trok, om wat zou zijn 

meer dan om wat was geweest. Lazaretten

vol koudvuur, wolhyniakoorts, etter 

uit met bajonet doorstoken lekkende lijven,

pus in ogen van yperiet, scherp de scherven,

de restanten van leven en armen en benen

tot stompen en repen rauwe toekomst versneden.

Rode plaveien en somber grijs de bermen met gekerm 

van hen die op heldendom en witsteen zouden berusten.


II.

Eén oorlog is maar een oorlog, moet hij hebben gedacht, 

dus deed hij er twee. (De eerste werd pas eerste

toen het eerste schot van de tweede afging). En hij,

tussen de linies als daad van verzet met een Mauser

op den Duits schoot, niet aan gangreen verging, 

aan shellshock leed noch de tering kreeg. Echte helden

waren toen alweer gestorven, dus nam hij tot zijn verdomde plicht

om te leven en te herinneren, vanwege de duisternis 

die onder de grond van een nieuwe generatie klaprozen school. 

Tot op een dag, zijn bloed kleurloos stolde in zijn aderen

en hij, vergund voor slechts twintig jaar, in een burgersgraf begraven.

Lessen over de oorlog

maan de dauw uit de loopgraven

blaas het kopergroen klaroen

want we praten weer over onze oorlog


correctie: de oorlogen, de groote,

de min of meer grote en zelfs de kleine, 

de verloren en gewonnen gewaande dagen

van weleer of van morgen

die zoals het zulke dagen betaamt

ook voorbij zijn gegaan 


weer het bloed uit oude prenten

en verzen vol verlies, rood is

dood en rauw is de kleur

van het berouw


we praten weer over de oorlog

maar de doden 

hebben ons niets geleerd dan dat

de vrede enkel wordt gevonden

diep in de aarde 

van winnaars en verliezers

Agafya Lykova

omarm een boom

wieg, wind, door de takken

zwijg harder

dan het geruis


vrees de duivel

zoek de oude woorden

en bid luider

dan het gehuil


vervul de tijd

leef, wees, voor even

niemand anders

zal na jou zijn


nog ongerept

vallen je laatste dromen

in de sneeuw


(Lees hier meer over de kluizenares

Agafya Lykova)


Koffiehuis

het is waar mijn stad kraakt en 

uit zijn barsten druipt 

zoet was,


als de lucht waarop wij vliegen 

met maatwerk vleugels 

aangrijpbaar als verlangen

op de drempel van het koffiehuis


Chineese pouchong, maangeplukte jasmijn, 

karkadé uit Soedan, citrusolie uit Bergamo, 

rood de bossen, blauw de bergen 


van alle ideeën die ik daar liet varen

is dit het mooist:

er is geen thuiskomst nog zoeter

dan deze reis

Lotgenoten

op het wit gekalkte plafond

zat zoëven nog een mug

uit te buiken van mijn bloed


waarom wij 

van naakte schouders houden

ik van die van jou

en zij van die van mij


het kostte me wat

evenwicht op een namaak lederen zetel

en een bundel met als titel

'lotgenoten'


de mug is alvast dood


(met dank aan Gwy M.)

R(evolutie)

[Dag 27 van het project "Schrijvers zonder vlees"]

Lomp de lijven die zich volproppen

en schijten, herkauwen slechts

op te veel woorden. Dan hoor ik liever

het zingen van koeien, het gestotter

van de kip. Nooit één woord

te veel gezegd.


Geen mens naar het leven gestaan,

zonder verweer gekeeld, open gereten,

gelooid, gegeten. Nooit getobd

over waarom, over moeten,

over zijn. Over nutteloze pijn.


Dan wordt gesteld

dat zij niet voelen, dat zij niet weten,

dat zij slechts dieren zij. En dat wij,

mensen, dat stadium van ontwikkeling

al eeuwen overstegen zijn.



Heidebeekjuffer

vaderloos maar toch

met zijn herkenbaar gedartel

op glazen vleugels

fladderen bijna flaneren


broos de onverschilligheid

die haar stuurt 

net uit de oever

kiest ze een gele plompknop


denkt aan hoe ze samen 

zouden zijn ontloken

mocht hij haar 

niet hebben verlaten


(voor L.P)

Ontspoord

Waarom meeuwen 

de overstroomde meersen verkiezen 

boven de zee.

Van ver ze te horen 

schaterlachen om de onmacht van lucht,

land dat al maanden is ingelegd.

Verongelijkt vluchten 

van dijken naar terpen.


Wantrouwen 

in de meute die verscheurt,

volmaakt falen van de voorbijgaande jeugd.

Barakken waarin schimmel sluiert,

noch rede, noch vrede, goddank, 

slechts de dwaasheid die ontspoort.


Stilte die onbestemd in de tijd 

te grabbel is gegooid, 

op een akkoordje en op een hoopje 

met mijn zwijgen.

Valt daar iets op te drinken?


Ik struin door lege, godverlaten eeuwen 

waar aan de rand

mijn stamboom staat 

die moe maar halsstarrig 

zijn bladeren de vrijheid laat.


Vandaar het reizen om de node komt

de dwangmatige zwerver niet tot bedaren, 

de onafscheidelijkheid van gisteren en morgen.

Ademnood

ik zal woorden likken

die nooit voor me waren bestemd

in de uithoeken van je mond

de verstomde zinnen

op de punt van je tong bevrijden


je iets te zeggen geven

de eerste honger zal gestild

de laatste angst gestold


maar met welk zwijgend gemak

jij me telkens weer

tot ademen noodt


onzegbaar 

zijn wij voor elkaar geworden

ik stik en jij

lacht me kapot

Salix alba

winters is je sombere zwijgen 

zacht je hout dat kraakt

onder de hellewinden 

die door de vlakte razen


de mens je takken 

uit de hemel oogst

je wilgskracht groter maakt

dan telkens weer dood gaan


donker en nat nog de aarde 

die in dikke kladden 

langs je bast kruipt

je kop tot barstens toe vult


met de lente buigzaam 

de wissen van je eerste rijs

baldadig luid mezen 

door je kruin struinen


en op midzomernacht

de heksen met de uilen

jankend weer naar herfst tieren

uit je krochten en je kieren


Dit gedicht werd gepubliceerd in 'Knoestige knapen',

in 2018 uitgegeven door de Provincie West-Vlaanderen.

Appartement

terwijl jij hem vijf hoog

kus ik je brievenbus, mijn tong

likt je vingerafdrukken uit suikergoed


hij in uitstervende cadans

druipt zoet verlangen uit

die ene brief in mijn binnenzak


geborgen, ik maak de voordeur los

koude zeewind gooit zout

over de immer gapende drempel

Kraker

Niet dat het moeilijk was, al is dat achteraf 

altijd makkelijk zeggen. 


Ze huisde jaren in mijn hoofd. Op een dag, onverwacht,

nam hij haar en zij mee: haar stem 

(mijn stiltes niet langer gebroken), haar ogen

(waarin ik geen oevers vond), haar geur 

(die mij vaak tot waanzin dreef)

en een stuk of wat schilderijen. Wij, 


uitgelaten in het laagland (ik hield haar hand niet vast),

zittend aan de stroom (zij al vager, alles gaat voorbij). Ik, 

dwalend langs wegels (tranen, om uitgebloeide papavers),

struinend door straten (waar ze om elke hoek verdween).


Op een rode zondagavond in oktober nam een dame 

van vreemde origine me bij de arm. Ik stond een uur 

wezenloos te staren. Omdat een zigeuner een adagio speelde.

Vreemd, hoe Sjostakovitsj deze dissonantie had voorspeld. 


Ik at je doen, ik laafde me aan je laten. Zag je met hem komen,

zag hem ook weer gaan. Ik hield je voor bekeken, 

maar kreeg mijn blik niet afgewend. 

Zo nam volle dwaasheid me in bezit. Waarna ik vast besloot

om 's nachts jouw huis te kraken. 


De hond, de dwaze gek, gaf kwispelend geen kik

(hij wel, hield nog altijd van me). Het slot toonde begrip, 

begaf reeds bij de eerste wrik. De trap zuchtte zacht onder mijn tred, 

wist zich met zijn stramme hout geen blijf.


Zo stond ik aan je bed. En werd ik overvallen. Je naakte schouder

als een ijsberg boven je laken. Je been, oorlogsvlootgewijs, 

omvatte een zee van dons. Ik snoof waar het schip voor anker lag. Nooit zou ik nog varen. Hoe was ik, reddeloos verloren? 


Nauwelijks zichtbaar was de deining, van de zee boven je borsten. Blauw spande een ader in je hals. Een puls verliet je hart, 

rolde over je blote onbewustzijn. Tot daar, waar ik de mespunt plaatste. Mijn adem, zwaarder, zocht die van jou.


Ik sloot mijn ogen, drukte mijn lippen op je voorhoofd, 

wachtte op een schreeuw. Als een meeuw zweefde de stilte

en weid gespreid toen ik weer verdween. De trap zuchtte zacht

onder mijn tred, de hond kwispelde nog steeds. Jij verliet mijn wereld en ik ging heen.

Rasphuis

onderweg op de trein oefende ik 

mijn pointe na je verbazing 

toen ik daar op de dorpel met de liefde leurend 

thuis zocht te komen


er was kans op gestamel,

op een goede afloop, beiden één op twee 

als geheel dus vrijwel zeker 

dat na de bel kort-lang-kort


jij je voordeur in de Rasphuisstraat

open zou maken en ik

nooit meer terug zou kunnen


naar de onuitgesproken verering

waar ik nu nog steeds mee dweep:

je was niet thuis



Nazomer

Dit waren de tekenen: de laatste slag van 

een kwartel, het mouwloze kleedje, de 

onverwachte opleving van het décolleté, 's morgens

een regenboog terwijl het onweer pas 's avonds.


Rustig, het zingen van zinnen, schikken

van afgerijpt denken in schoven, lonken

naar je nauwelijks, rauwe kelen

als van de kerkuil in de ondermaan.


Geurig stro waarin de boer de winter 

heeft doorgrond. Ik van jou alles hield, 

de oogst was goed geweest, dat

viel te bewaren voor nog wat jaren.

Het is waar

het is waar

wij hoorden samen te zijn


aan de zee van eindelijk

waar we onder de witte rotsen

op eb van één uur slaap vatten


was op die dag

bij het eerste ochtendlicht 

en talmend als bruinvissen

de geur van onmacht gestrand


eenzaamheid werd een stormvogel 

die mij ternauwernood 

zijn vleugels liet 

me voor verdrinken behoedde


zelfs als een leugen

bleken wij te breekbaar

Ghabbar

hoe alles was voor de ijver 

toen het zand van oude zee verlaten

weer land werd:


bij een duizeling van tijd 

vond de witte ruis het riet

om wind te worden,

in het zog 

van de uitdijende luwte

slopen ongewis de wijkers


door een waas van overmoed

wierpen ze schaduwen ten anker

op de zoom van een woud,

werden forestiers

die bomen ruilden voor ambitie

van reukgras op een opper


toen dreef een spade een wig

tussen de onafscheidelijkheid

van gisteren en morgen,


uit de lege lucht viel licht

over het uitgehold verleden

en water kwam van overal


(de geschiedenis van de Gavers)

Patholoog

Voorbij Chamaloc zagen we eerst gieren

boven de velden van de vier valleien.

Later, azend op je karkas en lavendel

die de geur van dood maskeert. Hier

viel met Chopin niet te dwepen, maden 

kennen slechts de maat van verderf.


Het zou kort na middernacht zijn geweest 

toen het schot klonk en je voor het vallen 

je enkel nog verzwikte. Nu is het middag 

en langs de afgrond van de Font d'Urle 

vliegt een squadron alpengierzwaluwen. Ik hijs

mezelf omhoog in helend zweet tot daar 


van waar de echo in tempo rubato door het dal 

was gerold. Bij de laatste steenman

is mijn naam in keien gelegd, valt 

in het contrapunt van mijn hijgen de stilte 

waarin je had besloten te verdwijnen.


Waar moet ik nu heen met dat hart van je?

Stil

vader taalt in armgrepen

de letters raakt hij kwijt

en als zijn denken overstroomt

grossiert hij stil in spijt


graait tevergeefs naar woorden 

die dolend zwerven in zijn hoofd

geen enkel kan hij vatten

zo is zijn stem gedoofd.


hij prevelt soms mijn naam nog

maar herkennen doet hij niet

het verleden ligt geborgen

in een bunker van graniet


het pad waarop hij stapt

verdwijnt in grijze mist

niets blijft er nu nog over

van wat hij vroeger wist


straks scheiden onze wegen

het is al veel te laat

wie valt nog te verwijten

dat er nooit echt werd gepraat?



Badkuip, I

zie daar de koningin van de badkuip

van waaruit het goed bestieren is

ze heeft het van haar vader geleerd

die er ondanks in verdronken is


daar heeft zij lessen uit getrokken

zij gaat nooit nog kopje onder

liever de leegte van de lucht

dan de bliksem voor de donder


buiten is de wereld op de vlucht

terwijl zij in heet water gelegen

klein en lege borsten onder schuim bedekt

geen rekenschap moet geven


aan de moederlijke plicht van een vorstin

die de dolenden zou laven

nippend aan haar rode wijn verdrinkt een volk 

in het aanzicht van een haven

Kortrijk, 2302

hoe het een geschiedenis kan vergaan

uiteindelijk zijn de woorden weer gevallen

waarmee wij ons zullen onderscheiden

van schuimers en plunderaars 

in deze verloren stad


hebben onze lieve vrouwen en kinderen

op het smelten niet gewacht,

het gild der koolstofjagers

hoedt zich in deze boten 

voor de vloek van het zoute water


nu kappen we de touwen

die ons kluisterden aan maagd en leeuw,

varen langs dobberende inboedels

tussen de spitsen van sint-Antonius en sint-Jan

naar een ongewisse wereld


er klinken elegieën voor de ouden 

die achter werden gelaten,

zij die hadden voorzien

het vermeende voor waarheid te nemen

en zonder gemor verdronken zijn

in hun huizen op de kouter


duizend jaar zijn geweest 

en weer hebben we niets geleerd



Quatuor Novissima

Men hoorde weer het huilen van de laatste lamantijn

dat bij elke aanrollende golf vanuit het diep opsteeg

en over het brakke water landinwaarts trok. Vrouwen

in witte gewaden kwamen van langs de rivier, 

ontblootten hun verkild verlangen en wierpen zich 

jammerend in de zwellende kellen, reinigden zich 


in het licht van de wassende maan. Zilveren tranen zwermden 

als glasalen op rode muistromen in zee. De westenwinden, 

met de onwil van eeuwigheid bezwaard, hoorden niets 

dan hun eigen ijl gefluit. Roze spreeuwen, koperwieken 

en groene bijeneters zochten radeloos naar echo's,

van ijskappen en tektoniek uit weldra voltooid vergane tijd.


Op een koersloze schoener voor de kust spreidde ze haar dijen,

perste gelooide monden tot barsten. Open gebaard werd hij

de eerste die weer zou zijn en wezen, half stof en as

half gekieuwd en gekroond, de leidsman als straks

voor het laatst zou worden geoordeeld over dood, de hemel, 

de hel en ten slotte, de terugkeer naar het water.



Romance del diablo

ik deel met haar een rommelkot

daar ligt verlangen naar elkaar 

naast de hoop verloren


we wachten er onder het open raam

branden kaarsen en blikken

tot vlakbij een kwartel slaat


"laat ons naar buiten gaan"

zeg ik, waarna zij in de gedachte

vaag een vraagteken improviseert


op de muis van haar hand

waar ons klein bedrog ooit begon

plant ik een punt


"in dit rommelkot is het te nauw 

voor twee als wij

of we moeten tango dansen"


daar zet Piazzolla een jazz akkoord in

gelijk met het uit een bloeiende horizon

aanrollend onweer


in de flitsende schaduw van een vrijere wereld

spannen we tevergeefs nog een keer

onze lijven tussen de deurlijst

14 november 1974

[wie behoort de streng, het kind of de voedster?

Groeit ze vanuit een deling die erkenning eist, of eerder

uit bezorgdheid van de schoot?]


De hemel ontvouwt die dag ter ontkenning

van nakende eenzaamheid een staalboek blauw

lapis lazuli, opaal, en dan uiteindelijk koud

oogappelblauw. Vrieslucht jaagt

door een navelstreng gevat

een moederhart in eeuwig ijs.


Oma schuilt in duizelende gedachten

zij die baarde als de dood

vlucht van haar vrucht. Wilskracht 

speent tot troost, maant het bloed.

Reeds murmelen de winden

oude wiegeliederen knagen 

aan een wilgenbasten ziel.


Geen zal ooit het pad weer kruisen

waarop vader met de vrijheid

is verdwenen.

24 november 2022

Viel de regen al met bakken uit de hemel

Blies de wind de laatste flarden moed

Huilde je met de honden in de keuken

Toen je ze aaide voor een laatste groet?


Heb je gehoord hoe ze om je jankten

Toen je de deur achter je sloot

Hoe de beesten wel al voelden

Dat het leven niet langer weerstand bood?


Was je omhuld door het duister

Of was er licht op je weg daarheen

Was er rust omwille van het einde

Of voelde het daar heel alleen?


Had je nog spijt toen het te laat was

En het touw zich stikkend sloot

Of vond je eindelijk wat je zocht

In het aanzicht van de dood?


Hoe kwam het einde, traag of snel

Welke gedachte door je hoofd

Dat het zo was hoe het zijn moest

Dat de pijn nu werd gedoofd


Maar dat alles nog steeds stilvalt

Dat ik nog vaak om je ween

Als ik ‘s nachts weer eens naar Stromae luister

En ik met mijn verdriet niet weet waarheen

© zonder vleugels 2026