ZONDER VLEUGELS

POEZIE | PROZA | MUZIEK | NATUUR | IN DE VLUCHT

Cyclus ‘Overleie’

Mijn wieg stond in de Vaartstraat in Kortrijk. Op tweejarige leeftijd verhuisden we naar Harelbeke. De Leie speelde een rol in mijn dagelijkse leven. 

We woonden op Overleie. Ik moest elke dag de brug over naar school. Eerst naar de centrumschool. Het eerste leerjaar bij de legendarische meester Jules (Debaveye). 

Het derde leerjaar bij meester André Velghe. Meester Velghe stimuleerde zijn leerlingen om te schrijven. En dat is dus gebleven. In het vierde leerjaar met meester Paul Vandenbogaerde kikkers vangen in de moerassen, waar baggerslip zou worden gestort en waar zonder ook maar enig bezwaar noch compensatie het natuurgebied (zo ingetekend op het gewestplan) werd omgevormd tot een industriezone waar een groot metaalverwerkend bedrijf werd neergepoot. Deze cyclus is opgenomen in het boek ‘Harelbeke in de literatuur’ van Jan van Herreweghe (uitgeverij De Gebeten Hond).

Het orakel van de Leie 

Cyclus ‘Overleie’ - deel I


De banken in de klas geurden naar wak oud hout.

Meester Jules had tijdens de laatste dagen van augustus

met een kletsnatte spons de hete zomer van 1976

voorgoed uit zijn klas verbannen.


Een gedrild kruisteken, onzeker gestommel van kinderbenen.

Waarna met de traag vallende stilte (zo viel de stilte toen nog) 

gedragen door een verloren zonnestraal

wat as tot op zijn stofjas dwarrelde.


De sigaar, die, zo bleek later,

integraal was verweven met zijn mondcultuur

kwam in een mondhoek tot leven.

Orakelde, luid en met overtuiging

(waarvoor ten bewijze van de ernst van de articulatie 

flarden speeksel in het luchtruim werden gelanceerd) 

"Dat wij kinderen van de Leie waren!"

Goud was je aard en gulzig

hadden wij het offer van je oevers geoogst.


Nog de volgende nacht strompelde ik voor het eerst

door het lonkende met zon overgoten moeras

waar de Kalle met den haak tussen het riet school.

Onder het goedkeurend oog van verstilde roters

zoog het water ook mij steeds dieper terug

naar de modder waaruit ik was geboren.



Slag om de Overleiebrug

Cyclus ‘Overleie’ - deel II


Vader reed de beige Kever, een 1303

voor het laatst over de oude kasseienbrug

die ons met de stad verbond.

Ik staarde uit het kleine raampje:

Goud was doods en zwart

krachteloos stromend in  een keurslijf van beton. 


Het pulserend kloppen van een reusachtige drilboor

overstemde het vertrouwde geroffel van de boxermotor

en verplichtte ons, het garnizoen van Overleie,

tot terugplooien op het eiland aan

gene zijde van de frontlijn der toekomst

van de heden onbereikbare stad.


Alwaar de hongersnood ons zou wachten.


(De weg over Kuurne bracht alsnog soelaas).



De toekomst is al haast voorbij

Cyclus ‘Overleie’ - deel III


Weldra ontvouwde het wonder van de bruggenbouwer

zich voor mijn kinderlijke geest.

Zo zou de toekomst voortaan zijn:

In kleur, gladder, breder en vooral steiler te befietsen.


Het laatste schaap van Overleie bleek op een dag geslacht,

het spookkasteel gesloopt, het vlas was dood.

Maar in de aderen van de vlasboer

borrelde het expansief ondernemersbloed

waarmee de nederlaag van dit verleden

zou worden bekampt.


Met een op een metalen ring open gespannen nylonkous

aan een stok, nonchalant als een bedelzak

over onze schouder met meester Paul

kikkers scheppen uit het laatste Leiemoeras

dat weldra plaats zou maken voor een fabriek.


Op die dag brachten we er meer bijeen

waarvan werd gehoopt dat ze gered zouden worden

(En we dumpten ze in het onbedekte terrarium

achter in de klas).


Voetnoot (voor de geschiedenis):


De volgende tien dagen vonden we dagelijks

verdroogde kikkerlijkjes in alle hoeken,kanten

en kasten van de klas. 


Onhoorbaar stil kiemde het onverzettelijke zaad

van de ware milieustrijder in mijn hoofd.



De kringloop van het water

Cyclus ‘Overleie’ - Deel IV


Ik was negentien en ik zat in de woonkamer

van een duister rijhuis in de Overleiestraat.

Gabrielle, naar inschatting van een jonge snaak

goed op weg naar de honderd

lichtte me voor:


"Om de zoveel tit lag ter ip nen dag

ip de Leie nen bwoat mè kientjes.

Ge moeste kieken no de kleur van de vlagge:

roze vo de jongentjes, lichtblauw vo de meiskes.

Oaje doar als jonk meiske gezien woard oaje pris ..."


Tien jaar later, Gabrielle had de honderd niet gehaald,

en de boot met kindjes bleek uit de vaart gehaald.

Ik reed met mijn Volkswagen, een Golf,

over de brug die de stad met thuis verbond.


Op de achterbank, in een draagwieg, mijn eerstgeborene.

Nauwelijks hoorbaar orakelde ik dat hij kind van de Leie was.

Onverstoorbaar sliep hij verder.

© zonder vleugels 2026